afwisselen

afwisselen
{{afwisselen}}{{/term}}
I 〈overgankelijk werkwoord〉
[beurtelings opvolgen] alternate withtake turns, 〈aflossen〉 relieve
[variëren] vary
voorbeelden:
1   de ene regenbui wisselde de andere af one shower followed the other
     elkaar afwisselen take turns
2   zijn werk afwisselen met vermaak alternate one's work with relaxation
II 〈onovergankelijk werkwoord〉
[beurtelings voorkomen] alternate
[telkens anders worden] vary
voorbeelden:
1   hoogbouw wisselt hier af met laagbouw here high-rise (building) alternates with low-rise

Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.

Игры ⚽ Поможем решить контрольную работу

Share the article and excerpts

Direct link
Do a right-click on the link above
and select “Copy Link”